De glazen berg
Eens was er een glazen berg op de top van die berg stond een kasteel gemaakt van puur goud, en aan de voorzijde van het kasteel groeide een appelboom, deze droeg gouden appels.
Iedereen die een appel kon plukken werd toegelaten in het gouden slot, en daar in een zilveren kamer zat een betoverende prinses van een ongelooflijke eerlijkheid en schoonheid. Ze was net zo rijk als dat ze mooi was, de kelders van het kasteel waren gevuld met edelstenen, en grote kisten van het fijnste goud stonden rond de muren van alle kamers.
Veel ridders ware van ver gekomen om hun geluk te beproeven, allen probeerden tevergeefs op de berg te klimmen. Er waren er zelfs die scherpe nagels aan de hoefijzers van hun paarden bevestigden om de berg te beklimmen, maar ook dit lukte niet.
De steile gladde heuvel was een onneembare vesting, sommigen braken een arm of been, anderen zelfs hun nek.
De mooie prinses zat aan haar raam en keek naar de moedige ridders die haar probeerden te bereiken met hun schitterende paarden. Het zien van de prinses gaf mensen nieuwe moed, zij stroomden uit de vier hoeken van de wereld om een poging te wagen haar te redden. Maar alles was tevergeefs, en al zeven jaar had de prinses zitten wachten tot iemand haar van de glazen berg zou redden.
Vele lijken van zowel ruiters als paarden lag rond de berg, en veel mensen die niet stierven laggen te kreunen, niet in staat om verder te gaan met hun gewonde ledematen. De hele buurt had de uitstraling van een groot kerkhof. Binnen drie dagen zouden de zeven jaar ten einde zijn, toen een ridder in gouden harnas en gezeten op een vurig paard werd gezien, ook hij maakte zijn rit naar de fatale heuvel.
Zijn sporen stekend in zijn paard maakte hij een rush op de berg, en halverwege draaide hij het hoofd van zijn paard en kwam weer naar beneden zonder te glijden of te struikelen. De volgende dag begon hij op dezelfde manier, het paard trapte op het glas alsof het bestond uit aarde, het vuur en de vonken vlogen van zijn hoeven. Alle andere ridders keken vol verbazing, want hij had de top bereikt, en in tel zou hij de appelboom bereiken, maar plotseling verscheen een reusachtige arend deze spreidde zijn machtige vleugels en sloeg hiermee het paard van de ridder in zijn oog.
Het beest geschrokken, opende zijn brede neusgaten en schudde met zijn manen, vervolgens steigerde hij hoog in de lucht, zijn achterpoten gleden weg en hij viel met zijn berijder van de steile berghelling. Niets bleef er van hen over, behalve hun botten, die rammelden in het gehavende gouden pantser, zoals droge erwten in een pot.
En nu bleef er slechts een dag voor het einde van de zeven jaar. Toen kwam er een gewone schooljongen aan bij de berg, een vrolijke, gelukkige, maar tegelijkertijd sterke en volgroeide jongen. Hij zag hoeveel ridders hun nek tevergeefs hadden gebroken, maar hij naderde onverschrokken de steile berg te voet en begon aan de klim.
Te lang had hij zijn ouders horen spreken van de mooie prinses, die in het gouden kasteel op de top van de glazen berg zat. Hij luisterde naar alles wat hij gehoord had, en besliste dat ook hij zijn geluk zou beproeven. Maar eerst ging hij naar het bos en ving een lynx, en sneed de scherpe klauwen van het schepsel, hij bevestigde deze aan zijn eigen handen en voeten.
Gewapend met deze wapens startte hij stoutmoedig aan de beklimming van de glazen berg.
De zon was bijna onder, en de jeugdige man was slechts halverwege. Hij kon nog nauwelijks ademhalen hij was uitgeput, en zijn mond was uitgedroogd door de dorst. Een grote zwarte wolk trok over zijn hoofd, maar tevergeefs smeekte hij om enkele druppels te laten vallen. Hij opende zijn mond, maar de zwarte wolk waaide over zonder ook maar een druppel aan zijn droge lippen te schenken.
Zijn voeten waren gescheurd en bloedden, en hij kon zich alleen nog maar vasthouden met zijn handen. De avond viel en hij moest zijn ogen inspannen om de top van de berg te kunnen zien. Hij keek onder hem, en wat hij daar zag! Een gapende afgrond, met een zekere en verschrikkelijke dood op de bodem, stinkend met half vergane lichamen van paarden en ruiters! En dit was het einde geweest voor alle andere dappere mannen die aan de beklimming waren begonnen.
Het was bijna donker nu, en alleen de sterren verlichtte de glazen berg. De arme jongen kleefde nog steeds vast op het glas als was hij erop vastgelijmd door zijn bloed bevlekte handen. Hij deed geen moeite om hoger te klimmen, hiervoor had hij totaal geen kracht meer, hij zag geen uitkomst meer en wachtte rustig op de dood. Toen viel hij ineens in een diepe slaap, en zijn gevaarlijke positie vergetend, sluimerde hij zacht. Maar toch, hoewel hij sliep, had hij zijn scherpe klauwen zo stevig in het glas gestoken dat hij niet kon vallen.
Nu werd de gouden appel-boom bewaakt door de adelaar die de gouden ridder en zijn paard had omvergeworpen. Elke avond vloog hij rond de glazen berg als een bewaker, en de maan was nog maar net tevoorschijn gekomen van achter de wolken of de vogel steeg op van de appelboom, en cirkelde in de lucht, daar ontdekte hij de slapende jongeman.
Gulzig op zoek naar voedsel, en zeker dat dit een vers lijk moest zijn, daalde de vogel neer op de jongen. Maar deze was nu wakker, en met het zien van de adelaar besloot hij dat deze zou helpen om hem te redden.
De adelaar groef zijn scherpe klauwen diep in het aangeboden vlees van de jongeman, maar hij verdroeg de pijn zonder geluid, en pakte de twee poten van de vogel. Het dier tilde hem in paniek hoog in de lucht en begon rond de toren van het kasteel te cirkelen. De jongen hield zich moedig vast aan de adelaar. Hij zag het schitterende paleis, verlicht door de bleke stralen van de maan zag het eruit als een schemerlamp, hij zag de hoge ramen, en rond een van hen een balkon waar de mooie prinses verloren zat in droevige gedachten. Toen de jongen zag dat hij dicht bij de appel-boom was pakte hij een klein mes uit zijn riem en sneed beide poten van de adelaar af. De vogel vloog in zijn doodsangst hoog de lucht in en verdween in de wolken, de jongeman viel op de brede takken van de appelboom.
Daarna trok hij de klauwen van de poten van de adelaar die waren achtergebleven uit zijn lichaams, en legde de schillen van een van de gouden appels op de wond, in een moment was hij genezen. Hij plukte een aantal van de mooie appels uit de boom en bwaarde deze in zijn zak, toen ging hij het kasteel binnen. De deur werd bewaakt door een grote draak, maar zodra hij een appel naar het beest gooide, vluchtte het beest.
Op hetzelfde moment werd een poort geopend, en de jongeren ontdekte een binnenplaats vol bloemen en mooie bomen, en op een balkon zat de mooie betoverde prinses met haar gevolg.
Zodra ze de jongen zag, rende ze naar hem toe en groette hem als haar man en meester. Ze gaf hem al haar schatten, en de jongeman werd een rijke en machtige heerser. Maar hij kwam nooit meer terug naar de aarde, want alleen de machtige adelaar, de hoeder van de prinses en van het kasteel kon op zijn vleugels de enorme schat naar de wereld brengen. Maar doordat de adelaar zijn voeten had verloren stierf hij, en zijn lichaam werd gevonden in een bos op de glazen berg.
. . . . . . .
Op een dag toen de jongeman tijdens het wandelen in de paleistuin met de prinses, zijn vrouw, over de rand van de glazen berg keek zag tot hij tot zijn verbazing een groot aantal mensen die daar bijeen waren. Hij blies op zijn zilveren fluitje, en de zwaluw die optrad als boodschapper in de gouden kasteel vloog voorbij.
‘Vlieg beneden en vragen wat er aan de hand is,’ zei hij tegen de kleine vogel, die vloog weg als de bliksem en kwam spoedig terug om te zeggen:
“Het bloed van de adelaar heeft alle mensen hieronder het leven terug gegeven. Al degenen die zijn omgekomen op deze berg zijn tot leven gebracht, als het ware uit een slaap, zij hebben hun paarden bestegen, en de hele bevolking aanschouwt dit ongehoorde wonder met vreugde en verbazing.”


